"Op zoek naar de verloren onschuld" - brakkehond.be

1. Wat voorafging

Toen in het voorjaar van 1982 Lex Grobben en Lut Teck zich danig zaten te vervelen met de officiële Vlaamse cultuur in de Amsterdamse Brakke Grond, besloten ze een tegencultureel grapje te verzinnen. De Brakke Hond zou de verkalking van het Vlaamse cultuurleven in het algemeen en van de Vlaamse literaire tijdschriften in het bijzonder een neus zetten. Lex Grobben en zijn kompanen Marc vanderleenen en Philip Badenhorst gingen wilde grafiek in het blad plegen. Lut Teck, Frans Roggen, Karel Osstyn en Lieve de Boeck zochten naar literatuur van en voor jonge mensen. In september 1983 verscheen het eerste nummer van De Brakke Hond (DBH) met teksten van performancekunstenaar Fabiola di Atlanta, huisschrijver J.M.H. Berckmans en gelegenheidspoëten Lut Teck en Wim Neetens. Daarnaast waren ook Frans Roggen en Karel Osstyn present die beiden nog droomden van een carrière in de schone letteren (vooral Frans dan, Karel experimenteerde met kortverhalen). Grotesken van mijzelf en een vertaling van het duo Paul Claes en Mon Nys sloten de rij. Dit eerste nummer mocht er zijn en kreeg een vermelding met stip in Vrij Nederland. Dat DBH vijftien jaar later een officiële plaats in het tijdschriftenlandschap zou krijgen toebedeeld met zowaar één miljoen overheidssubsidie had niemand van deze stoutmoedigen kunnen bevroeden. Hoe is het zover kunnen komen?

2. De dood van het Nieuw Vlaams Tijdschrift

Het tijdstip om in het najaar van 1983 een nieuw, ongebonden blad te lanceren was uitermate gunstig omdat de klassieke, verzuilde tijdschriften in een crisis zaten. De dood van het NVT - om het gelijknamige en nog steeds lezenswaardige boekje van Georges Adé over de teloorgang van het Nieuw Vlaams Tijdschrift te citeren - staat model voor die crisis. Julien Weverbergh pleegt in 1983 een coup, volgens Adé, en doekt het literaire instrument van de socialistische zuil zonder blikken of blozen op. Hij maakte er vanaf 1984 een magazine van (Het Nieuw Wereldtijdschrift) dat op commerciële lijst werd geschoeid en dat gerund werd door een journalist met feeling voor de literaire markt (Herman de Coninck).

Achteraf bekeken was het manoeuvre van Weverbergh het logische gevolg van de aftocht van de politiek uit de pers in het algemeen en uit de wereld van het boek in het bijzonder. De SP doekte immers vanaf de jaren tachtig zijn financiële steun aan de pers systematisch op. Na het loslaten van de krant (De Volksgazet, De Morgen) en de literaire uitgeverij (Ontwikkeling), trok de partij zich waarschijnlijk maar al te graag terug uit het verlieslatende literaire blad. Die strategische terugtocht van de partij uit de literaire cultuur voltrok zich trouwens in alle ideologische geledingen. De ontzuiling van het maatschappelijke leven was al begonnen in de jaren zestig maar zou in het begin van de jaren tachtig pas echt zichtbaar worden in de wereld van de literaire tijdschriften.

3. Het failliet van de stille generatie versus wonderboy Herman de Coninck

Daar kwam nog bij dat niet alleen de traditionele zuilen maar ook de literatuur zelf het erg te verduren kregen met de toenemende commercialisering van de samenleving in de jaren tachtig. In Vlaanderen leken de schone letteren in de jaren zeventig op sterven na dood. Het heette toen dat er een stille generatie aan het werk was geweest die opnieuw gewoon wou vertellen. Die generatie was echter zo stil en deed zo gewoontjes dat ze al vlug werd weggeblazen in het mediageweld. Alleen het nieuw-realisme van dichters als Herman de Coninck en Luuk Gruwez sloeg aan bij een breder publiek. Allicht omdat De Coninck en in mindere mate Gruwez de taal schreven die ook gebruikt werd door de commerciële media. Journalist De Coninck debuteerde met poëzie die dreef op de trucjes van de betere copywriter. De humoristische woordspeling was zijn waarmerk, zoals dat ook in de geslaagde reclameslogan het geval was. En de lichtjes erotiserende setting van zijn gedichten leek als twee druppels water op de erotische suggestie van de reclame. Om maar te zeggen dat De Coninck na zijn jaren bij Humo wist waar de commerciële klepel hing. Het was zijn verdienste dat hij de Vlaamse poëzie door het reclameachtig bespelen van de taal een nieuwe injectie gaf. Dat Weverbergh op De Coninck wedde om een literair magazine te maken met een commerciële kans op slagen lag dus voor de hand.

Maar ondertussen maakten de Grote Drie in tijdschriftenland de pas op de plaats, als ze al niet in elkaar zakten. Dietsche Warande & Belfort, spreekbuis voor katholiek literair Vlaanderen, en De Vlaamse Gids, mondstuk van de liberale muze, gingen gewoon door met een formule die tot op de draad versleten was. Beide zouden hun doodsstrijd anticiperen door een radicale ingreep in de jaren negentig. Het is pas onlangs dat Dietsche Warande een nieuw elan heeft gekregen door de multidisciplinaire aanpak van Hugo Bousset, terwijl De Vlaamse Gids nog altijd op zoek is naar een nieuw gezicht. Te midden van deze ontreddering bij de verzuilde tijdschriften was het eigenzinnige Heibel in 1983 aan zijn zwanenzang bezig. Alleen Yang bleek - buiten de Grote Drie op hun retour - een onafhankelijke stem te laten horen. In zekere zin was DBH het Antwerpse antwoord op het Gentse Yang. Wat Yang voor de poëzie had betekend, zou DBH weldra voor het proza zijn: een motor van vernieuwing.

4. Geen Vorm maar Vent of Vrouw

Zo bekeken startte DBH dus onder een gelukkig gesternte. Literair geïnteresseerden zaten te wachten op een tijdschrift met lef en zonder ideologische bindingen. Het kransje germanisten dat DBH maakte, wou geen academisch vertier maar literatuur recht voor de raap. Het criterium om in DBH te mogen verschijnen was zo klaar als bronwater: het stuk in kwestie moest de redactie ontroeren. Met namen werd geen rekening gehouden. De redactie wenste vooral niet herinnerd te worden aan de canonieke teksten die aan de universiteit op het programma hadden gestaan en koos daarom vaak voor het lichte genre.

Wie het feestboek voor vijf jaar DBH in 1988, Knap woud, vooral de bomen, erop naslaat, komt bij de smaakmakers van een nieuwe generatie Vlaamse schrijvers terecht. Van Kristien Hemmerechts tot Kamiel Vanhole, van J.M.H. Berckmans tot Herman Brusselmans: DBH was een springplank voor nieuwe vertellers die het anders aanpakten dan hun voorgangers. Persoonlijk heb ik een boontje voor een gekke verteller als Balen Vlas die echter nooit een boek heeft 'mogen' publiceren bij een erkende uitgeverij. Zijn fragmentarische Geschiedenis van Amerika zou een mooi cultboek kunnen zijn. Ook andere talenten als Gie Bogaert, Johan Vandenbroucke, Rita Demeester en Kris Peeraer debuteerden in die jaren bij DBH. Het bleek zelfs mogelijk dat in hetzelfde nummer Herman de Coninck een essay pleegde en onmiddellijk daarna werd uitgekleed door Rudi Laermans die geen vrede nam met De Conincks pleidooi vóór moeite en tégen video en VSO. In dat fameuze nummer 15 uit de herfst van 1987 gaat DBH bij monde van Bart de Man voor het eerst ook zijn tegendraads, polemisch karakter cultiveren. Voortaan wordt in elk nummer een Nederlandse coryfee uitgekleed. Het moet maar eens gedaan zijn met hoogdravende, literaire huisvlijt zonder inhoud. Geen Vorm, maar Vent - of Vrouw - was het adagium van DBH in die dagen.

5. Vóór alles: het plezier

Dient het gezegd dat le tout Flandre littéraire op het lustrumfeest in het Zuiderpershuis aanwezig was? Na vijf jaar hoorde DBH er al bij. Subsidies voor zogenaamde 'additionele honoraria' konden niet uitblijven. Leo de Haes werd er ondertussen bijgehaald om de geldstromen in goede banen te leiden en om het blad een herkenbaar gezicht te geven via min of meer vaste rubrieken. Bart de Man is hiervan het meest bekende voorbeeld. Geleidelijk aan raakte de voorraad Hollandse blaaskaken uitgeput en werd het kanon van Bart de Man op Vlaamse windbuilen gericht. Na heroïsche discussies binnen de eigen redactie - Leo verzekerde ons dat we de takken aan het afzagen waren waarop we zaten - gingen Herman de Coninck & Co voor de (botte) bijl. Nee, het was niet verstandig om zoiets te doen. Maar mogen we voor één keer ook eens gewoonweg onze zin doen? DBH had een neus voor plezierige teksten. Maar iedereen die een beetje Roland Barthes kent, weet dat 'plezier' een vlag is die vele ladingen dekt. Het zij zo. We hadden geen zin om voortdurend te wikken en te wegen of wat we deden wel politiek-literair correct was. Wij waren op zoek naar onze verloren onschuld en deden alsof literair Vlaanderen niet bestond. Het resultaat was navenant. Op het tienjarig feestje dat eveneens in het Zuiderpershuis werd gevierd, was le tout Flandre littéraire afwezig.

Maar daarom niet getreurd. Nadat DBH met zijn onpretentieus, direct proza tijdens het eerste lustrum vrij vlug de spontane alternatieveling was geworden binnen het literaire circuit, begon het zich tijdens het tweede lustrum te profileren als baldadige onverlaat die de Vlaamse literaire verhoudingen allesbehalve ernstig kon en wou nemen. In plaats van ons te installeren onder de paraplu van grote broer - teksten van jonge auteurs die Het Nieuw Wereldtijdschrift te minnetjes vond, werden sporadisch naar ons doorversast gedurende de eerste jaargangen - kozen we resoluut voor een eigen koers. En om dat te onderstrepen hielden we dus eerst een beeldenstormpje in de Vlaamse achtertuin. In zijn derde lustrum gaat DBH zich ook digitaal manifesteren. Onder impuls van Dirk Van Eylen - ooit prijswinnaar van de jaarlijkse verhalenwedstrijd met een prachtig verhaal dat zo uit Amerikaanse bloemlezingen leek te zijn weggelopen - kreeg DBH in 1995 een website bij de Digitale Metropool Antwerpen. Daarmee was DBH het eerste Nederlandstalige tijdschrift dat zijn editie helemaal èn gratis op het net plaatste. Dirk is mettertijd ook begonnen aan een archief dat heel wat andere teksten bevat en coördineert een nieuwsbrief ('Letters') in verband met literatuur op Internet. Waar de papieren versie van DBH op genereuze overheidssteun mag rekenen, werd tot dusver geen geld uitgetrokken voor dit nochtans baanbrekende project. Dirk en de digitale Hond zouden nochtans mooie dingen kunnen doen voor de Vlaamse letteren op Internet...

6. Aan de nabestaanden

Na al die jaren kwam er geleidelijk aan de mot in de redactie. Frans Roggen had zichzelf in 1988 buitenspel gezet omdat hij het blad wou uitverkopen aan Weverbergh die Het Nieuw Wereldtijdschrift was kwijtgeraakt en wel een nieuw blaadje lustte. Leo de Haes kreeg na Weverberghs ontslag een eigen uitgeverij en hoefde dus niet meer zo direct een blad te maken. Karel Osstyn wou van de eindredactie af. Kortom, het werd tijd voor een verjonging van de redactie. Frank Adam, Johan Vandenbroucke, Christelle Méplon, Hendrik Van Poele (de nieuwe hoofdredacteur) en Peter Pauwels zullen voor nieuw vuurwerk moeten zorgen. Hopelijk willen ze het niet té verstandig, té gepland en té strategisch aanpakken. Er zijn tijdschriften genoeg die omwille van commerciële of academische motieven niet altijd kunnen brengen wat ze graag zouden willen.

Of de constellatie zo gunstig is als 15 jaar geleden, valt te bekijken. De literaire tijdschriften en magazines zijn er alleszins interessanter op geworden dan in de jaren tachtig. Ze ogen niet alleen beter maar brengen ook pittigere bijdragen omdat de meeste redacties actief op zoek gaan naar stukken. Het is daarentegen problematisch dat de meeste bladen steeds in de vijver vissen van dezelfde namen en dat er nauwelijks twintigers te bespeuren vallen. Wel is het zo dat nieuwe tijdschriften à la DBH het licht zagen. Vooral Sampel is een nieuwkomer die, zoals DBH, een gedurfde vormgeving koppelt aan dito stukken. Alleen is de inhoud van die teksten niet helemaal op het niveau van de vorm. Na 15 jaar is DBH ingehaald door de anderen maar of het daarom ook achterhaald is, zullen de volgende 15 uitwijzen. Afspraak in 2013.

© http://www.brakkehond.be/


Site info

© 1999-2019 | Bert Geens, Herman de Coninck.be - Dank aan zoveel mensen. Hosted by Inbound Webhosting.